Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
14 april 2015.
Hoge Raad
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. De Hoge Raad beoordeelde de middelen van cassatie en oordeelde dat de eerste twee middelen niet tot cassatie konden leiden. Het derde middel klaagde terecht over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de Hoge Raad meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep uitspraak deed.
De Hoge Raad achtte deze termijnoverschrijding gegrond en besloot daarom tot ambtshalve strafvermindering. De straf werd verminderd van 36 maanden gevangenisstraf naar 35 maanden. De overige onderdelen van het cassatieberoep werden verworpen. De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf.
Het arrest werd gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 14 april 2015.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 36 naar 35 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.