Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
14 april 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De betrokkene stelde dat het hof onterecht niet had beslist op het verweer dat de redelijke termijn was overschreden.
In hoger beroep had de raadsman van de betrokkene expliciet een beroep gedaan op de overschrijding van de redelijke termijn conform artikel 6 EVRM Pro en verzocht om matiging van het te betalen bedrag. Het hof had echter geen gemotiveerde beslissing gegeven op dit verweer, wat formeel een schending van procesrechtelijke normen inhoudt.
De Hoge Raad constateert deze tekortkoming, maar acht het niet noodzakelijk dat dit leidt tot vernietiging van het arrest. Dit omdat in de gelijktijdig behandelde strafzaak, die nauw samenhangt met de ontnemingszaak en waarin dezelfde termijnoverschrijding speelde, reeds een strafvermindering is toegekend wegens die termijnoverschrijding.
Daarmee is het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden vastgesteld, maar wordt er geen additioneel rechtsgevolg aan verbonden in de ontnemingszaak. Het cassatieberoep wordt derhalve verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en er wordt geen rechtsgevolg verbonden aan de termijnoverschrijding in de ontnemingszaak.