Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het vierde middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Slotsom
5.Beslissing
14 april 2014.
Hoge Raad
De verdachte stelde in cassatie beroep in tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij was veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden. Namens de verdachte werd aangevoerd dat het hof had nagelaten te beslissen op het verweer dat de redelijke termijn was overschreden, wat een schending van artikel 6 EVRM Pro inhoudt.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof inderdaad niet had beslist op dit verweer, terwijl dit op straffe van nietigheid wel had moeten gebeuren. Omwille van doelmatigheid vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en besloot zelf de zaak af te doen.
Uitgaande van het feit dat het hoger beroep ruim twee jaar had geduurd zonder gegronde reden, werd vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 36 naar 34 maanden. De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat deze geen aanleiding gaven tot cassatie.
De Hoge Raad sprak het arrest uit op 14 april 2015, waarbij de strafvermindering werd bevestigd en het beroep voor het overige werd afgewezen.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd van 36 naar 34 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.