ECLI:NL:HR:2015:947

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2015
Publicatiedatum
14 april 2015
Zaaknummer
13/02123
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 14 lid 1 IVBPArt. 440 SvArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
7 uitgaand · 7 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens redelijke termijnoverschrijding in hoger beroep

De verdachte stelde in cassatie beroep in tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij was veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden. Namens de verdachte werd aangevoerd dat het hof had nagelaten te beslissen op het verweer dat de redelijke termijn was overschreden, wat een schending van artikel 6 EVRM Pro inhoudt.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof inderdaad niet had beslist op dit verweer, terwijl dit op straffe van nietigheid wel had moeten gebeuren. Omwille van doelmatigheid vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en besloot zelf de zaak af te doen.

Uitgaande van het feit dat het hoger beroep ruim twee jaar had geduurd zonder gegronde reden, werd vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden. Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 36 naar 34 maanden. De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat deze geen aanleiding gaven tot cassatie.

De Hoge Raad sprak het arrest uit op 14 april 2015, waarbij de strafvermindering werd bevestigd en het beroep voor het overige werd afgewezen.

Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd van 36 naar 34 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Uitspraak

14 april 2015
Strafkamer
nr. 13/02123
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 8 april 2013, nummer 23/005543-10, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D. Moszkowicz, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, en tot zodanige op art. 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2.Beoordeling van het vierde middel

2.1.
Het middel bevat de klacht dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op een namens de verdachte gevoerd verweer met betrekking tot de redelijke termijn.
2.2.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 maart 2013 heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de bij het proces-verbaal gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt in:
"Tot slot merk ik in het kader van de strafmaat nog op dat de behandeling in hoger beroep ruim twee jaar heeft geduurd, hetgeen een overschrijding van de redelijke termijn (ex artikel 6 lid 1 EVRM Pro en 14 lid 1 IVBP) oplevert. Voor de berechting van een zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het geding in beginsel behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren nadat het rechtsmiddel is ingesteld. Het hoger beroep is op 29 december 2010 ingesteld. De zaak is niet dusdanig complex dat dat het overschrijden van de redelijke termijn zou rechtvaardigen. Integendeel. De verdediging heeft er alles aan gedaan om de zaak zo spoedig mogelijk af te ronden. Zo hebben wij bijvoorbeeld ten behoeve van de voortgang afstand gedaan van de getuige [betrokkene 1], die bij de raadsheer-commissaris gehoord zou worden, maar niet was verschenen. Ik verzoek u in ieder geval op die grond strafvermindering toe te passen."
2.3.
Aldus is een verweer gevoerd waaromtrent het Hof op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een met redenen omklede beslissing had moeten geven. Aangezien zodanige beslissing in de bestreden uitspraak niet voorkomt, is het middel gegrond.
2.4.
De Hoge Raad zal de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat, nu door het Hof uitspraak is gedaan op 8 april 2013, de redelijke termijn van berechting als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM bij de behandeling van de zaak in hoger beroep is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 36 maanden.

3.Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze 34 maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 april 2014.