ECLI:NL:HR:2015:959

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 april 2015
Publicatiedatum
15 april 2015
Zaaknummer
14/04103
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over de kwalificatie van Duitse schadevergoedingen als periodieke uitkeringen in de inkomstenbelasting

In deze zaak heeft de Hoge Raad op 17 april 2015 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure die was ingesteld door de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. De zaak betreft de kwalificatie van betalingen die belanghebbende heeft ontvangen van de Duitse overheid ter vergoeding van schade die zij heeft geleden door het naziregime. De centrale vraag was of deze betalingen moeten worden aangemerkt als periodieke uitkeringen van publiekrechtelijke aard, zoals bedoeld in artikel 3.101, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001.

De belanghebbende ontving in de jaren 2008 en 2009 deze betalingen en stelde dat het ging om schadevergoedingen, die niet onder de belastingwetgeving vallen. De Rechtbank te Haarlem oordeelde dat de betalingen deel uitmaken van een reeks uitkeringen waarop belanghebbende recht kan doen gelden en dat deze uitkeringen afhankelijk zijn van het in leven zijn van belanghebbende. Het Hof Amsterdam bevestigde dit oordeel en verklaarde het hoger beroep van de Staatssecretaris gegrond, waardoor de aanslagen werden vernietigd.

De Hoge Raad oordeelde dat de betalingen, gezien de omstandigheden en de aard van de uitkeringen, moeten worden aangemerkt als periodieke uitkeringen. De Hoge Raad vernietigde de uitspraak van het Hof en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank, waarbij werd vastgesteld dat de betalingen aan de voorwaarden van de Wet IB 2001 voldoen. De Hoge Raad concludeerde dat de Staatssecretaris niet had aangetoond op basis van welke regeling de uitkeringen niet als periodiek konden worden gekwalificeerd. De Hoge Raad achtte geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitspraak

17 april 2015
nr. 14/04103
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 24 juli 2014, nrs. 12/01122 en 12/01123, op het hoger beroep van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (nrs. 12/89 en 12/90) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2008 en 2009 opgelegde aanslagen in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2.Beoordeling van het middel

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende woont in Nederland. Zij heeft in 2008 en 2009 betalingen ontvangen van, dan wel namens de Duitse overheid ter vergoeding van schade die zij door het naziregime heeft geleden (hierna: de betalingen).
2.2.1.
Voor de Rechtbank en het Hof was in geschil of de betalingen moeten worden gerekend tot de aangewezen periodieke uitkeringen, als bedoeld in artikel 3.101, lid 1, van de Wet IB 2001, en uit dien hoofde moeten worden begrepen in het bijdrage-inkomen van belanghebbende.
2.2.2.
De Rechtbank heeft dienaangaande geoordeeld dat de betalingen deel uitmaken van een reeks uitkeringen waarop belanghebbende recht kan doen gelden, dat de uitkeringen afhankelijk zijn van het in leven zijn van belanghebbende en dat de uitkeringen geen deel uitmaken van een complex van rechten en verplichtingen die bij voortduring tegenover elkaar staan. Hieraan heeft de Rechtbank de gevolgtrekking verbonden dat de betalingen moeten worden gerekend tot de aangewezen periodieke uitkeringen in de zin van artikel 3.101, lid 1, aanhef en letter c, van de Wet IB 2001 die in rechte vorderbaar zijn en niet de tegenwaarde voor een prestatie vormen.
2.2.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld en daartoe onder meer aangevoerd dat zij geen arbeid heeft verricht, dat het gaat om schadevergoedingen, dat de betalingen vanuit het buitenland zijn ontvangen en dat er in de wet geen regeling is opgenomen voor uit het buitenland ontvangen betalingen.
2.2.4.
Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur niet heeft gesteld op grond van welke regeling belanghebbende de uitkeringen ontvangt, laat staan dat hij heeft gesteld (1) welke publiekrechtelijke regeling ten grondslag ligt aan de periodieke uitkeringen, dan wel (2) op basis waarvan de periodieke uitkeringen in rechte vorderbaar zouden zijn, dan wel (3) van welke rechtspersoon de periodieke uitkeringen afkomstig zouden zijn. Op die grond heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur niet de feiten heeft gesteld waaraan de wet de door hem ingeroepen gevolgen verbindt en heeft het Hof het hoger beroep gegrond verklaard en de onderhavige aanslagen vernietigd.
2.3.
Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen deze oordelen van het Hof.
2.4.1.
In de voor de jaren 2008 en 2009 door belanghebbende ingediende aangiften inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen/ inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet zijn de betalingen aangegeven als belaste inkomsten. Ter zake van die inkomsten is voor de inkomstenbelasting een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting toegepast.
In het door belanghebbende bij de Rechtbank ingediende beroepschrift staat onder meer dat de betalingen een schadevergoeding betreffen, waarbij de Duitse overheid ervoor kiest maandelijkse uitkeringen te doen en dat de Duitse overheid een calculatie heeft gemaakt van de schade van belanghebbende, waarbij die calculatie voor de ene of andere partij voordelig kan uitvallen, afhankelijk van de leeftijd waarop belanghebbende komt te overlijden.
Ter zitting van het Hof is door belanghebbende onder meer aangevoerd dat de Duitse overheid compensatie biedt voor het feit dat belanghebbende als kind nazi-Duitsland heeft moeten verlaten en een schoolopleiding is misgelopen, en dat de vergoeding van het Duitse Finanzamt komt.
2.4.2.
De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de hiervoor in 2.4.1 weergegeven standpunten van belanghebbende niet door de Inspecteur zijn bestreden. Uitgaande van deze standpunten is geen andere slotsom mogelijk dan dat de betalingen zijn aan te merken als periodieke uitkeringen op grond van een publiekrechtelijke regeling in de zin van artikel 3.101, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet IB 2001. De betalingen worden immers maandelijks gedaan ten laste van de Duitse overheid uit hoofde van een compensatieregeling ter vergoeding van schade die door het naziregime is aangericht, en eindigen bij het overlijden van de rechthebbende.
De – door belanghebbende gestelde – omstandigheid dat de betalingen zijn gedaan ter vergoeding van geleden schade kan niet tot een ander oordeel leiden (zie HR 8 februari 2013, nr. 12/02569, ECLI:NL:HR:2013:BZ0729, BNB 2013/78).
Het middel slaagt derhalve.
2.5.
Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.4 is overwogen, kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2015.