Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede middel
5.Beslissing
20 januari 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd vrijgesproken van het ten laste gelegde dat zij afvalstoffen, waaronder ijzer- en staalschroot en aluminiumschroot, zonder de vereiste CCIC-certificaten naar China zou hebben uitgevoerd in strijd met de EVOA en de Wet milieubeheer.
Het hof oordeelde dat China niet had gekozen voor een uitvoerverbod onder artikel 36 EVOA Pro, maar voor een controleprocedure in het land van bestemming volgens nationaal recht, waarbij het CCIC-certificaat vereist is. Dit betekent dat er geen sprake was van een illegale overbrenging zoals strafbaar gesteld in artikel 10.60 Wmb.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep van de Advocaat-Generaal. De Hoge Raad benadrukte dat het invoerverbod van China gekoppeld is aan nationale controleprocedures en niet aan een uitvoerverbod vanuit de EU, waardoor de verdachte niet strafbaar is voor het vermeende handelen.
Het arrest onderstreept de juridische nuance tussen uitvoerverboden en nationale invoercontroles en bevestigt dat het ontbreken van een CCIC-certificaat niet automatisch leidt tot strafbaarheid onder de EVOA en Wmb.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak omdat er geen sprake is van een uitvoerverbod onder EVOA ondanks het invoerverbod zonder CCIC-certificaat.