ECLI:NL:HR:2016:10

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 januari 2016
Publicatiedatum
5 januari 2016
Zaaknummer
15/02554
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • A.J.A. van Dorst
  • J.P. Balkema
  • J.W. Ilsink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 457 SvArt. 472 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening wegens persoonsverwisseling bij drugshandelzaak

De Hoge Raad behandelde een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter te Maastricht, waarbij de aanvrager was veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet. De aanvraag berustte op de stelling dat niet de aanvrager, maar zijn tweelingbroer de feiten had gepleegd, hetgeen een gegeven als bedoeld in art. 457 Sv Pro oplevert.

Naar aanleiding van de aanvraag voerde de politie Limburg een onderzoek uit, waaruit bleek dat de persoon die op 1 augustus 2014 was aangehouden en verdacht werd van handel in harddrugs, niet de aanvrager was, maar diens tweelingbroer. Dit proces-verbaal ondersteunde het vermoeden van persoonsverwisseling.

De Hoge Raad oordeelde dat dit gegeven, dat bij het oorspronkelijke onderzoek niet bekend was, het ernstige vermoeden wekt dat de aanvrager anders zou zijn beoordeeld, mogelijk tot vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging. Daarom verklaarde de Hoge Raad de aanvraag gegrond, beval de opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis en verwees de zaak naar het gerechtshof voor hernieuwde berechting.

Uitkomst: Aanvraag tot herziening gegrond verklaard wegens persoonsverwisseling; zaak verwezen naar gerechtshof voor nieuwe berechting.

Uitspraak

5 januari 2016
Strafkamer
nr. S 15/02554 H
SG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 7 november 2014, nummer 03/165592-14, ingediend door mr. L.N. Geerman, advocaat te Sittard, namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van 1. "opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod" en 2. "opzettelijk handelen in strijd met het in art. 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een taakstraf van zestig uren, subsidiair dertig dagen hechtenis.
2 De aanvraag tot herziening
2.1.
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2.
De aanvraag berust op de stelling dat sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en
onder c, Sv. In de aanvraag wordt daartoe aangevoerd dat niet de aanvrager maar zijn tweelingbroer [betrokkene 1] de feiten heeft gepleegd.

3.De conclusie van de Advocaat-Generaal

De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de in de aanvraag vermelde uitspraak zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar een gerechtshof, opdat de zaak zal worden berecht en afgedaan op de wijze als in art. 472, tweede lid, Sv is voorzien.

4.Beoordeling van de aanvraag

4.1.
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv Pro slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
4.2.
Naar aanleiding van de aanvraag is op verzoek van de Advocaat-Generaal door de politie Limburg een onderzoek ingesteld. De resultaten van dit onderzoek zijn gerelateerd in een door [verbalisant] , brigadier van politie, eenheid Limburg, op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van 15 oktober 2015, inhoudende:
"Op 1 augustus 2014 werd door het DOEN team Maastricht, [betrokkene 1] , geboren te [geboorteplaats] op [...] / [...] /1983 en wonende te [plaats] aan [a-straat 1] , aangehouden als verdacht van handel in harddrugs (zie bijlage 1). Ik, verbalisant, was op dat moment lid van het DOEN team. Een en ander werd toen gerelateerd in proces-verbaal nummer 2014083115. [betrokkene 1] legitimeerde zich middels een geldig Nederlands rijbewijs. De personalia, foto en vingerafdrukken van [betrokkene 1] werden vastgelegd in de Basisvoorziening Identiteitsvoorziening.
Ik, verbalisant, heb de foto van het rijbewijs van [betrokkene 1] , gezien. De foto op het rijbewijs kwam overeen met de aangehouden [betrokkene 1] .
Op 1 oktober 2015 heb ik, verbalisant, [betrokkene 1] , aangehouden voor de handel in harddrugs. [betrokkene 1] legitimeerde zich middels een Nederlandse identiteitskaart. De identiteitskaart werd op 5 januari 2015 afgegeven. De personalia van [betrokkene 1] werden vastgelegd in de Basisvoorziening Identiteitsvaststelling. Tevens werd een foto en werden vingerafdrukken genomen middels de identiteitszuil.
De persoon die op 1 oktober 2015 werd aangehouden is dezelfde persoon die op 1 augustus 2014 door het DOEN team werd aangehouden.
Door het Openbaar Ministerie werd in de zaak van 1 augustus 2014 [aanvrager] gedagvaard (zie bijlage 2). [aanvrager] is niet de persoon die op 1 augustus 2014 werd aangehouden."
4.3.
De inhoud van dat proces-verbaal geeft steun aan de stelling waarop de aanvraag berust, te weten dat in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening is gevraagd, sprake is geweest van een persoonsverwisseling.
4.4.
Een en ander levert het ernstig vermoeden op dat de Politierechter, ware deze hiermee bekend geweest, de aanvrager van het hem tenlastegelegde zou hebben vrijgesproken.

5.Slotsom

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat hier sprake is van een gegeven als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder c, Sv, zodat de aanvraag gegrond is en als volgt moet worden beslist.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart de aanvraag tot herziening gegrond;
beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van de Politierechter;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van art. 472, tweede lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 januari 2016.
Mr. Balkema en mr. Ilsink zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.