Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
31 mei 2016.
Hoge Raad
In de zaak tegen verdachte, veroordeeld tot 13 jaar gevangenisstraf voor medeplegen van voorbereiding van medeplegen van moord en poging tot moord, heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 18 november 2014.
De advocaat van verdachte diende een schriftuur in, waarop de Advocaat-Generaal concludeerde dat het beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO). De raadsman reageerde schriftelijk hierop.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk en bevestigde daarmee het arrest van het hof.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard, waardoor de veroordeling tot 13 jaar gevangenisstraf blijft staan.