Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
31 mei 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld tot 13 jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van voorbereiding van medeplegen van moord en medeplegen van poging tot moord.
De advocaat van verdachte diende een schriftuur in, waarop de Advocaat-Generaal concludeerde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard moet worden op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO). De raadsman reageerde schriftelijk op deze conclusie.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk.
Het arrest werd gewezen door vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en raadsheren J. de Hullu en V. van den Brink, en uitgesproken in openbare terechtzitting op 31 mei 2016.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de veroordeling van 13 jaar gevangenisstraf blijft in stand.