Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
31 mei 2016.
Hoge Raad
De verdachte stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin hij was veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden.
De Hoge Raad oordeelde dat de eerste klacht over het bewijs niet tot cassatie kon leiden, omdat deze geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden.
Deze termijnoverschrijding leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof voor wat betreft de strafoplegging en bepaalde dat de straf wordt verminderd tot zeven maanden en twee weken.
Het beroep werd voor het overige verworpen, waarmee de overige onderdelen van het hofarrest in stand bleven.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van acht maanden naar zeven maanden en twee weken wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatiefase.