Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
31 mei 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 februari 2015. Het geschil draait om de juiste classificatie van een aanhangwagen in een zaak over de Wet wegvervoer goederen. De verdachte stelde dat de aanhangwagen meerassig was, terwijl het hof deze als eenassig had gekwalificeerd.
Namens verdachte diende advocaat J.W. Elzinga-Snoek een middel van cassatie in. De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld adviseerde het beroep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat het middel geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriep.
Het arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan. Het beroep is verworpen, waarmee het arrest van het hof werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.