ECLI:NL:HR:2016:1043

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 juni 2016
Publicatiedatum
2 juni 2016
Zaaknummer
15/03732
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet betaling griffierecht

Belanghebbende had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake een aanslag inkomstenbelasting en heffingsrente over het jaar 2009. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van dit beroep in cassatie.

Belanghebbende deed een beroep op betalingsonmacht voor het griffierecht, maar weigerde een brief van de griffier in ontvangst te nemen en stuurde niet tijdig de benodigde verklaring omtrent afwezigheid van vermogen terug. Latere stukken werden als te laat ingediend beschouwd. De griffier wees het beroep op betalingsonmacht af en stelde belanghebbende meerdere malen in de gelegenheid om het griffierecht te voldoen, maar deze betaling bleef uit.

Brieven van de Hoge Raad werden wegens onbestelbaarheid teruggezonden en opnieuw verzonden naar het bij de gemeente geverifieerde adres van belanghebbende, zonder respons. Gezien deze omstandigheden verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

3 juni 2016
Nr. 15/03732
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 30 juni 2015, nr. 14/00144, op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 13/4190) betreffende een aan belanghebbende voor het jaar 2009 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

Belanghebbende heeft ter zake van betaling van het verschuldigde griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 21 september 2015 in de gelegenheid gesteld de daarbij gevoegde verklaring omtrent afwezigheid van vermogen binnen twee weken na dagtekening van die brief, volledig ingevuld en ondertekend aan de Hoge Raad terug te zenden. Volgens de gegevens van PostNL heeft belanghebbende geweigerd die brief in ontvangst te nemen, waarna het stuk op 30 september 2015 per gewone post is verzonden aan het door belanghebbende opgegeven adres. De in de brief van 21 september 2015 gestelde termijn eindigde op 5 oktober 2015. Belanghebbende heeft van de bij laatstbedoelde brief geboden gelegenheid niet tijdig gebruik gemaakt. De op 6 oktober 2015 en later bij de Hoge Raad ingekomen stukken worden als te laat ingekomen buiten beschouwing gelaten.
Bij brief van 15 oktober 2015 heeft de griffier van de Hoge Raad het beroep op betalingsonmacht afgewezen. Tevens is in die brief meegedeeld dat bij niet tijdige betaling van het griffierecht het beroep in cassatie niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende laatstelijk bij aangetekende brief van 5 februari 2016 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is wegens onbestelbaarheid teruggezonden aan de Hoge Raad, waarna het stuk bij gewone brief is verzonden aan het door belanghebbende opgegeven - en bij de gemeente [Q] geverifieerde - adres. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 10 maart 2016 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Deze brief is wegens onbestelbaarheid teruggezonden aan de Hoge Raad, waarna het stuk bij gewone brief is verzonden aan het adres van belanghebbende. Belanghebbende heeft niet gereageerd.
Het beroep in cassatie moet op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2016.