ECLI:NL:HR:2016:1132

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juni 2016
Publicatiedatum
9 juni 2016
Zaaknummer
15/00421
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 4:18 AwbArt. 8:41 lid 6 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk en vernietigt hofuitspraak inzake overdrachtsbelasting

Belanghebbende verkreeg op 28 april 2011 de eigendom van een onroerende zaak en betaalde op 8 juni 2011 overdrachtsbelasting. Na bezwaar en uitgebreide correspondentie wees de inspecteur het bezwaar af op 29 juni 2012. Belanghebbende en de Staatssecretaris van Financiën stelden beiden beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

De griffier van de Hoge Raad wees belanghebbende op de verschuldigdheid van griffierecht en stelde een betalingstermijn van vier weken. Deze betaling bleef uit, waarna belanghebbende niet-ontvankelijk werd verklaard in cassatie. Het beroep van de Staatssecretaris werd gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

De Hoge Raad achtte geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en sprak het arrest uit op 10 juni 2016, waarbij het cassatieberoep van belanghebbende werd afgewezen en dat van de Staatssecretaris werd toegewezen.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van griffierecht, het beroep van de Staatssecretaris is gegrond verklaard en het hofarrest vernietigd.

Uitspraak

10 juni 2016
Nr. 15/00421
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s-Hertogenboschvan 19 december 2014, nr. 13/01138, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 12/4090) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting.

1.Geding in cassatie

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft op 28 april 2011 de eigendom verkregen van een onroerende zaak. Te dier zake heeft zij op 8 juni 2011 op aangifte een bedrag aan overdrachtsbelasting voldaan.
2.1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het op deze aangifte voldane bedrag.
2.1.3.
Vervolgens heeft tussen de gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur een uitgebreide schriftelijke en mondelinge gedachtewisseling plaatsgevonden.
2.2.
Bij uitspraak van 29 juni 2012 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard. Hierbij heeft hij op grond van het bepaalde in artikel 4:18 Awb Pro, beslist dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor toekenning van een dwangsom in de zin van artikel 4:17 e.v. Awb.
3 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie van belanghebbende
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 15 april 2015, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgehaald op de afhaallocatie, gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling een termijn van vier weken gesteld. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 1 juni 2015, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgehaald op de afhaallocatie, in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Het beroep in cassatie van belanghebbende moet op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb derhalve niet‑ontvankelijk worden verklaard.

4.Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel

Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in het heden in de zaak met nummer 15/00425 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

5.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende niet-ontvankelijk,
verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2016.