ECLI:NL:HR:2016:1152

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juni 2016
Publicatiedatum
9 juni 2016
Zaaknummer
15/04371
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 4:18 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtbankuitspraak over overdrachtsbelasting na bezwaar en beroep

Belanghebbende verkreeg op 1 juni 2011 de eigendom van een onroerende zaak en betaalde op 4 juli 2011 overdrachtsbelasting. Na het maken van bezwaar tegen het betaalde bedrag verklaarde de Inspecteur dit bezwaar ongegrond en wees een verzoek om dwangsom af. Belanghebbende ging in hoger beroep bij het Gerechtshof Amsterdam, dat op 11 augustus 2015 uitspraak deed.

De Staatssecretaris van Financiën stelde vervolgens cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van het cassatieberoep slagen op basis van een eerder arrest (nr. 15/04352) en vernietigde het hofarrest. De Hoge Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en op 10 juni 2016 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Hoge Raad verklaart cassatieberoep gegrond, vernietigt hofuitspraak en bevestigt rechtbankuitspraak over overdrachtsbelasting.

Uitspraak

10 juni 2016
Nr. 15/04371
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 11 augustus 2015, nr. 14/00090, op het hoger beroep van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. AWB 12/3335) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft op 1 juni 2011 de eigendom verkregen van een onroerende zaak. Te dier zake heeft zij op 4 juli 2011 op aangifte een bedrag aan overdrachtsbelasting voldaan.
2.1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het op deze aangifte voldane bedrag.
2.1.3.
Vervolgens heeft tussen de gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur een uitgebreide schriftelijke en mondelinge gedachtewisseling plaatsgevonden.
2.2.
Bij uitspraak van 7 juni 2012 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard. Hierbij heeft hij op grond van het bepaalde in artikel 4:18 Awb Pro, beslist dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor toekenning van een dwangsom in de zin van artikel 4:17 e.v. Awb.
2.3.
De middelen slagen op de gronden die zijn vermeld in het heden in de zaak met nummer 15/04352 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2016.