ECLI:NL:HR:2016:1155

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juni 2016
Publicatiedatum
9 juni 2016
Zaaknummer
15/04374
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 4:18 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofuitspraak en bevestigt rechtbankuitspraak inzake overdrachtsbelasting

Belanghebbende verkreeg op 1 juni 2011 de eigendom van een onroerende zaak en betaalde op 4 juli 2011 overdrachtsbelasting. Hij maakte bezwaar tegen het betaalde bedrag. Na uitgebreide schriftelijke en mondelinge communicatie tussen de gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur, verklaarde de Inspecteur het bezwaar ongegrond en wees een verzoek om toekenning van een dwangsom af op grond van de Awb.

Het Gerechtshof Amsterdam wees het hoger beroep van belanghebbende af. De Staatssecretaris van Financiën stelde hiertegen beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. Belanghebbende diende een verweerschrift te laat in, waardoor de Hoge Raad hieraan geen acht sloeg.

De Hoge Raad oordeelde dat de middelen slaagden op basis van een eerder arrest (nr. 15/04352) en verklaarde het cassatieberoep gegrond. De uitspraak van het hof werd vernietigd en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werden geen proceskosten aan de partijen opgelegd.

Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 10 juni 2016.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond, vernietigt het arrest van het hof en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Uitspraak

10 juni 2016
Nr. 15/04374
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 11 augustus 2015, nr. 14/00091, op het hoger beroep van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. AWB 12/3359) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan overdrachtsbelasting.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Nu dit geschrift bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.

2.Beoordeling van de middelen

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft op 1 juni 2011 de eigendom verkregen van een onroerende zaak. Te dier zake heeft hij op 4 juli 2011 op aangifte een bedrag aan overdrachtsbelasting voldaan.
2.1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen het op deze aangifte voldane bedrag.
2.1.3.
Vervolgens heeft tussen de gemachtigde van belanghebbende en de Inspecteur een uitgebreide schriftelijke en mondelinge gedachtewisseling plaatsgevonden.
2.2.
Bij uitspraak van 7 juni 2012 heeft de Inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard. Hierbij heeft hij op grond van het bepaalde in artikel 4:18 Awb Pro, beslist dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor toekenning van een dwangsom in de zin van artikel 4:17 e.v. Awb.
2.3.
De middelen slagen op de gronden die zijn vermeld in het heden in de zaak met nummer 15/04352 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, en
bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2016.