Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
10 juni 2016.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een geschil tussen voormalige samenwoners over zaakschade aan een auto, waarbij eiser cassatie heeft ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 10 november 2015.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en arresten in de zaak en behandelt het cassatieberoep van eiser, terwijl verweerster niet is verschenen en verstek is verleend. De Procureur-Generaal heeft betoogd dat eiser niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van eiser geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat eiser klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Op grond van artikel 80a lid 1 RO verklaart de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk en veroordeelt eiser in de kosten van het cassatiegeding, die nihil zijn aan de zijde van verweerster.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.