ECLI:NL:HR:2016:1208

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 juni 2016
Publicatiedatum
16 juni 2016
Zaaknummer
15/02817
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 8:42 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:73 Algemene wet bestuursrechtArt. 16 Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 27e Algemene wet inzake rijksbelastingen
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslagen erfbelasting en heffingsrente

De zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het geschil draait om navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 1994 tot en met 2000, alsmede navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting over de jaren 1995 tot en met 2000, opgelegd aan de erfgenamen van de erflaatster. Tevens gaat het om de bij deze navorderingsaanslagen gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat het middel van de Staatssecretaris niet tot cassatie kan leiden. Dit oordeel is genomen zonder nadere motivering, omdat het middel geen rechtsvragen oproept die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Daarnaast is de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding, vastgesteld op € 992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2016.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

17 juni 2016
Nr. 15/02817
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 7 mei 2015, nrs. 13/00503 tot en met 13/00517, op het hoger beroep van
de erfgenamen van [A], gewoond hebbende te
[Z](hierna: belanghebbenden) tegen een uitspraak van de Rechtbank Oost-Nederland (nrs. AWB 12/2569, 12/2570, 12/2571, 12/2573, 12/2574, 12/2576, 12/2578, 12/2579, 12/2580, 12/2581, 12/2582, 12/2584, 12/2585 12/3988 en 12/3991) betreffende aan erflaatster opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 1994 tot en met 2000 en navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting over de jaren 1995 tot en met 2000, en de bij deze navorderingsaanslagen gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
Belanghebbenden hebben een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbenden, vastgesteld op € 992 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2016.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 497.