Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
8 maart 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland waarin aan de aanvrager een ontnemingsmaatregel is opgelegd ter zake van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De Hoge Raad beoordeelt dat de oplegging van een ontnemingsmaatregel geen uitspraak is die een veroordeling inhoudt zoals bedoeld in artikel 457, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor kan de aanvraag tot herziening niet worden ontvangen op grond van artikel 465, eerste lid, Sv.
De Hoge Raad wijst er tevens op dat de rechter die de maatregel heeft opgelegd op grond van artikel 577b, tweede lid, Sv bevoegd is om op een schriftelijk en gemotiveerd verzoek van de veroordeelde het vastgestelde bedrag te verminderen of kwijt te schelden.
De Hoge Raad verklaart daarom de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk en bevestigt hiermee de ontnemingsmaatregel zoals opgelegd door de rechtbank.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk omdat de ontnemingsmaatregel geen veroordeling inhoudt.