Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 23 juni 2015, nr. 14/00448, betreffende het verzoek van belanghebbende tot herziening van de uitspraak van dat Hof van 10 juni 2010, nr. 04/03029.
Hoge Raad
In deze zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam betreffende een verzoek tot herziening van een eerdere uitspraak. De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de voorgestelde middelen geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak is gedaan door de raadsheren C. Schaap (voorzitter), J. Wortel en M.E. van Hilten, in aanwezigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en is op 29 januari 2016 in het openbaar uitgesproken.
Deze beslissing betekent dat het cassatieberoep niet inhoudelijk is behandeld en dat de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam in stand blijft. De procedure benadrukt het belang van ontvankelijkheid en het belang van de partij bij het instellen van cassatieberoep in bestuursrechtelijke zaken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang en gebrek aan kans op succes.