De zaak betreft een geschil over de precariobelasting die de gemeente Naarden vanaf 2012 oplegt aan een exploitant van gas- en elektriciteitsnetwerken. De gemeente had in 1999 met twaalf gemeenten en N.V. [E] een koopovereenkomst gesloten, waarbij afspraken over het heffen van precariobelasting voor tien jaar werden gemaakt. Daarnaast was er een infrastructuurovereenkomst die toestemming gaf voor het gebruik van gemeentelijke grond voor het distributienet.
Het Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat de exploitant zich met succes kon beroepen op een vrijstelling in de gemeentelijke verordening precariobelasting, mede op grond van de infrastructuurovereenkomst en de koopovereenkomst. De heffingsambtenaar betwistte dit echter, met name de rechtsopvolging en of de exploitant partij was bij de overeenkomsten.
De Hoge Raad stelt dat het Hof onduidelijk heeft geoordeeld over het feit dat N.V. [F] in 1999 alleen het gasnetwerk exploiteerde en niet het elektriciteitsnetwerk, en dat het onduidelijk is of de rechten uit de infrastructuurovereenkomst rechtsgeldig zijn overgedragen aan de huidige exploitant. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug voor een volledige herbeoordeling. Tevens verduidelijkt de Hoge Raad dat een publiekrechtelijke toestemming tot gebruik van gemeentegrond geen gedoogplicht inhoudt die precariobelasting uitsluit.