Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 23 juni 2015, nr. 14/00449, betreffende het verzoek van belanghebbende tot herziening van de uitspraak van dat Hof van 4 november 2010, nr. 10/00375.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie van belanghebbende tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam inzake een verzoek tot herziening van een eerdere uitspraak. De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de voorgestelde middelen geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de partij die het beroep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, dan wel omdat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Na overleg met de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie. De uitspraak is gedaan door raadsheer C. Schaap als voorzitter, samen met raadsheren J. Wortel en M.E. van Hilten, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2016.
Deze beslissing betekent dat het cassatieberoep niet inhoudelijk is behandeld en dat de eerdere uitspraak van het gerechtshof blijft staan. De procedure toont het belang van ontvankelijkheid en voldoende belang bij cassatieberoepen in bestuursrechtelijke zaken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of omdat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden.