In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie behandeld dat was ingesteld door belanghebbende tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. Het betrof een verzoek tot herziening van een eerdere uitspraak van het hof.
De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de voorgestelde middelen geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het beroep, dan wel omdat de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na het horen van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest is op 29 januari 2016 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren C. Schaap (voorzitter), J. Wortel en M.E. van Hilten.