Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Slotsom
4.Beslissing
28 juni 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland over de overname van de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf die in Duitsland was opgelegd aan de veroordeelde. De Rechtbank had een gevangenisstraf van zes jaren opgelegd, terwijl de Duitse rechter acht jaren had bepaald. De veroordeelde en zijn raadsvrouwe voerden aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden sinds de schorsing van zijn detentie.
Tijdens de terechtzitting werden uitgebreide persoonlijke omstandigheden besproken, waaronder de schuldenlast van de veroordeelde, zijn pogingen tot re-integratie, werk en relatie, en zijn positieve contacten met de reclassering. De raadsvrouwe benadrukte de vooruitgang die de veroordeelde had geboekt en verzocht om een straf die gelijk was aan de tijd die de veroordeelde reeds had doorgebracht in detentie, met aftrek en een voorwaardelijke straf.
De Rechtbank motiveerde haar strafoplegging met verwijzing naar de ernst van de feiten, de internationale gevoeligheden en het Duitse vonnis, maar volstond met een algemene verwijzing naar de persoonlijke omstandigheden en de constatering dat de Duitse rechter hier ook rekening mee had gehouden. De Hoge Raad oordeelde dat deze motivering onvoldoende is en dat de strafoplegging niet toereikend gemotiveerd is. Daarom vernietigt de Hoge Raad het bestreden vonnis en wijst de zaak terug naar de Rechtbank Gelderland voor een nieuwe behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis wegens onvoldoende motivering en wijst de zaak terug voor herbeoordeling.