Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
28 juni 2016.
Hoge Raad
De verdachte heeft cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 december 2014. Het middel van cassatie betrof de klacht dat het hof ten onrechte acht had geslagen op bepaalde stukken, waaronder een b.m. zoals gebruikt in de aantekening mondeling arrest en het UJD.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel faalt omdat de verdachte niet in zijn belang is geschaad door het gebruik van de stukken, mede vanwege zijn bekennende verklaring. Tevens was voldoende gebleken dat de verdachte kennis had genomen van de inhoud van het uittreksel.
De Hoge Raad achtte geen nadere motivering noodzakelijk omdat het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het beroep werd derhalve verworpen.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting op 28 juni 2016.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen; het arrest van het hof blijft in stand.