ECLI:NL:HR:2016:1343

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2016
Publicatiedatum
29 juni 2016
Zaaknummer
15/05814
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvWetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en verwijzing in beklag tegen beslag op geheimhouderstukken wegens ontoereikende motivering

De zaak betreft een beklag tegen beslag op geheimhouderstukken die onder klager in beslag zijn genomen, terwijl klager niet de verschoningsgerechtigde is. De rechtbank had geoordeeld dat de inbeslaggenomen stukken voorwerp van het strafbare feit uitmaken of daartoe hebben gediend, maar deze motivering werd door de Hoge Raad als ontoereikend beoordeeld.

De Hoge Raad verwijst naar zijn eerdere arrest waarin is bepaald dat in een beklagprocedure van een beslagene die niet de verschoningsgerechtigde is, het oordeel van de verschoningsgerechtigde in diens procedure als uitgangspunt moet worden genomen. Indien het verschoningsrecht van de verschoningsgerechtigde onherroepelijk wordt erkend, is het klaagschrift van de beslagene gegrond voor zover het betrekking heeft op het verschoningsrecht.

De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking van de rechtbank en verwijst de zaak naar de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, voor hernieuwde behandeling op basis van het bestaande klaagschrift. De advocaat-generaal had geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van klager, maar dit oordeel wordt niet overgenomen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking wegens onvoldoende motivering en verwijst de zaak voor herbehandeling.

Uitspraak

28 juni 2016
Strafkamer
nr. S 15/05814 Bv
SG/LBS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 3 december 2015, nummer RK 14/1212, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn cassatieberoep.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de inbeslaggenomen creditnota's, e-mails en brieven "voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend".
2.2.
Namens de klager is bij de Rechtbank een klaagschrift ingediend dat strekt tot - kort gezegd - opheffing van het beslag op onder hem inbeslaggenomen stukken op de grond dat deze stukken object zijn van het (afgeleide) verschoningsrecht van [medeklaagster] (verder: [medeklaagster]). Ook namens [medeklaagster] is een daartoe strekkend klaagschrift bij de Rechtbank ingediend.
2.3.
Zoals is beslist in het arrest van de Hoge Raad van 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3076, NJ 2016/8, dient in de beklagzaak van de beslagene die niet de verschoningsgerechtigde is, het oordeel in de beklagprocedure van de verschoningsgerechtigde, als dat onherroepelijk is geworden, tot uitgangspunt te worden genomen. Indien in die laatste procedure onherroepelijk is beslist dat inbeslagneming van de desbetreffende brieven of andere stukken in strijd is met het verschoningsrecht, is het klaagschrift van de beslagene in zoverre gegrond en is kennisneming van die bescheiden niet toegestaan. In het geval dat het beroep van de verschoningsgerechtigde op zijn verschoningsrecht ongegrond wordt verklaard, moet de beslagene niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn klaagschrift voor zover het de klachten met betrekking tot het verschoningsrecht betreft.
2.4.
De Hoge Raad heeft bij zijn beschikking van heden ECLI:NL:HR:2016:1324) in de zaak van [medeklaagster] (nummer 15/05824) geoordeeld dat het oordeel van de Rechtbank dat al de inbeslaggenomen stukken voorwerp van het strafbare feit uitmaken of tot het begaan daarvan hebben gediend, ontoereikend gemotiveerd is en heeft de door [medeklaagster] bestreden beschikking van de Rechtbank vernietigd. Gelet op hetgeen is overwogen in 2.3 is het middel terecht voorgesteld.

3.Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden beschikking;
verwijst de zaak naar de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
28 juni 2016.