Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
28 juni 2016.
Hoge Raad
In deze zaak betreft het een verkeersongeval te Meijel waarbij twee fietsers en hun kleindochter in het kinderzitje om het leven zijn gekomen. De verdachte, geboren in 1980, stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 september 2015.
Echter heeft de verdachte niet binnen de wettelijke termijn door een raadsman schriftelijke middelen van cassatie ingediend, zoals voorgeschreven in artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Hierdoor is niet voldaan aan het vereiste voor ontvankelijkheid in cassatie.
De Hoge Raad oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk is en verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst en uitgesproken tijdens de openbare terechtzitting op 28 juni 2016.
Uitkomst: De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van cassatiemiddelen.