Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 23 juni 2015, nr. 14/00442, betreffende het verzoek van belanghebbende tot herziening van de uitspraak van dat Hof van 10 juni 2010, nr. 04/03028.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de belanghebbende beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam. Het beroep betrof een verzoek tot herziening van een eerdere uitspraak van het hof. De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de voorgestelde middelen geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de middelen naar het oordeel van de Hoge Raad niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Hiermee wordt het cassatieberoep afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de gronden.
De uitspraak is gedaan door raadsheer C. Schaap als voorzitter, samen met raadsheren J. Wortel en M.E. van Hilten, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2016. Deze beslissing bevestigt de strenge toetsing van de ontvankelijkheid van cassatieberoepen in bestuursrechtelijke belastingzaken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of gebrek aan kans van slagen.