Belanghebbende, een Europese hoofdvestiging van een Japans concern, voerde in haar fiscale aangifte een afwaardering van vorderingen op een Spaanse distributeur door. Een zustervennootschap van belanghebbende verwierf de aandelen in deze distributeur en stelde zich garant voor haar schulden aan belanghebbende. Hierdoor werden de vorderingen weer op nominale waarde gewaardeerd, wat fiscaal als een kapitaalstorting werd geboekt.
Het Hof oordeelde dat deze opwaardering niet voortkwam uit vennootschappelijke betrekkingen, maar uit zakelijk handelen, en rekende het voordeel tot de belastbare winst. De Hoge Raad stelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de garantstelling niet mede haar oorzaak vond in de vennootschappelijke relatie en dat de commerciële verwerking niet doorslaggevend is voor fiscale kwalificatie.
De Hoge Raad vernietigde het arrest en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling, waarbij rekening moet worden gehouden met de zakelijke belangen van de betrokken vennootschappen en de vennootschappelijke betrekkingen. Tevens werd de Staatssecretaris veroordeeld in de kosten van het cassatieberoep.