Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
5 juli 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één maand wegens illegaal verblijf in Nederland terwijl hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard. De verdediging voerde aan dat de Nederlandse overheid onvoldoende inspanningen had geleverd om de verdachte terug te laten keren, waardoor de terugkeerprocedure zoals bedoeld in de Terugkeerrichtlijn niet volledig was doorlopen.
Het hof oordeelde dat Nederland voldoende stappen had ondernomen, waaronder meerdere presentaties bij diplomatieke vertegenwoordigingen en vertrekgesprekken, ondanks dat de verdachte niet meewerkte aan zijn terugkeer. Het hof stelde dat de terugkeerprocedure als doorlopen kon worden beschouwd en dat het opleggen van een gevangenisstraf niet in strijd was met de Terugkeerrichtlijn.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en herhaalde de jurisprudentie dat de rechter zich moet vergewissen van het doorlopen van de terugkeerprocedure en dit in zijn motivering moet vermelden. Het cassatieberoep werd verworpen omdat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gegeven en zijn beslissing voldoende had gemotiveerd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één maand na doorlopen terugkeerprocedure.