Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Slotsom
5.Beslissing
5 juli 2016.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin een schadevergoeding aan een benadeelde partij was toegewezen, inclusief kosten voor rechtsbijstand. De Hoge Raad bevestigt dat alleen schade die rechtstreeks door het strafbare feit is geleden in aanmerking komt voor vergoeding op grond van art. 51a Sv. Kosten voor rechtsbijstand worden niet als directe schade beschouwd en kunnen daarom niet worden meegenomen bij de toewijzing van schadevergoeding of bij de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel.
Het hof had een bedrag van €1.942,13 toegewezen, waarvan €862,13 bestemd was voor kosten van rechtsbijstand. De Hoge Raad vernietigt dit deel van het arrest en verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk voor het deel van de vordering dat betrekking heeft op deze kosten. De Hoge Raad wijst de schadevergoeding toe tot €1.080,- exclusief de kosten voor rechtsbijstand, vermeerderd met wettelijke rente.
Daarnaast legt de Hoge Raad een schadevergoedingsmaatregel op aan de verdachte voor hetzelfde bedrag, met een subsidiariteit van 21 dagen hechtenis bij niet-betaling. De aansprakelijkheid van de verdachte en zijn mededader wordt hoofdelijk vastgesteld, waarbij betaling door de een de verplichting van de ander vermindert. De overige middelen van cassatie worden verworpen omdat zij geen aanleiding geven tot rechtsontwikkeling of rechtseenheid.
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van art. 51a Sv en verduidelijkt dat proceskosten zoals rechtsbijstand apart behandeld dienen te worden volgens art. 592a Sv en art. 361 lid 6 Sv Pro.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor zover de kosten van rechtsbijstand zijn toegewezen en wijst de schadevergoeding toe zonder deze kosten.