Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s-Hertogenboschvan 7 januari 2016, nrs. 15/00251 tot en met 15/00279, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van het Hof van 3 april 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond het beroep in cassatie centraal tegen een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch in een belastingrechtelijke bestuursrechtzaak. Belanghebbende had verzet aangetekend tegen een eerdere uitspraak van het hof, waarna hij in cassatie ging bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep inhoudelijk niet behandeld. De reden hiervoor was dat het middel dat belanghebbende aanvoerde klaarblijkelijk onvoldoende belang bij het cassatieberoep opleverde of dat het middel niet tot cassatie kon leiden. Dit oordeel werd genomen op basis van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).
Na overleg met de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest werd uitgesproken door de raadsheren Schaap, Groeneveld en Van Hilten op 8 juli 2016, waarbij tevens de waarnemend griffier Treuren aanwezig was.
Deze uitspraak bevestigt het belang van voldoende belang en inhoudelijke gronden voor het slagen van een cassatieberoep in bestuursrechtelijke belastingzaken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of omdat het middel niet tot cassatie kan leiden.