Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 18 december 2015, nr. SGR 15/4209 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 28 augustus 2015.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag inzake een belastingrechtelijk bestuursrechtelijk geschil. De Hoge Raad heeft beoordeeld of het beroep ontvankelijk was, waarbij de betaling van het griffierecht centraal stond.
De griffier heeft belanghebbende meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht en een termijn gesteld. Ondanks een telefonische mededeling over betalingsonmacht, is geen formeel verzoek tot betalingsonmacht ingediend. Belanghebbende heeft ook geen nadere schriftelijke reactie gegeven.
Op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb Pro is het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad heeft geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. Het arrest is gewezen door raadsheren Schaap, Groeneveld en Van Hilten en op 8 juli 2016 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht.