Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
4.Beslissing
8 juli 2016.
Hoge Raad
Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van gemeenschap van goederen en een verrekenbeding. De man was directeur-grootaandeelhouder van een vennootschap en had een schuld in rekening-courant aan die vennootschap. Bij echtscheiding vorderde de vrouw dat deze schuld en de waarde van de vennootschap in de verdeling werden betrokken.
De rechtbank stelde dat de man bewijs moest leveren dat de schuld was ontstaan door privé-uitgaven. Het hof oordeelde dat de schuld niet valt binnen enige gemeenschap en dat de schuld alleen voor zover gebruikt voor huishoudkosten tussen partijen verrekend moet worden. De vennootschap behoort volledig toe aan de man en valt niet in de gemeenschap.
De vrouw stelde dat de schuld in rekening-courant samenhangt met het opgepotte vermogen in de vennootschap en dat dit in de verdeling betrokken moet worden. De Hoge Raad oordeelt dat het hof deze stelling heeft meegewogen door de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank voor verdere beoordeling van de verrekening van de schuld in rekening-courant in samenhang met het vermogen van de vennootschap.
De overige klachten van de vrouw worden verworpen. De Hoge Raad bevestigt de eigendom van de vennootschap bij de man en wijst het beroep af.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de vennootschap eigendom is van de man; de zaak wordt terugverwezen voor verdere beoordeling van de verrekening van de rekening-courantschuld.