ECLI:NL:HR:2016:1512

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 juli 2016
Publicatiedatum
12 juli 2016
Zaaknummer
16/00350
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 3 Wet griffierechten burgerlijke zakenArt. 409a lid 2 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 127a lid 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid cassatieberoep bij niet-tijdige betaling griffierecht en toepassing hardheidsclausule

In deze zaak heeft eiser beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag. Volgens art. 3 lid 3 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken moest het griffierecht binnen vier weken na de eerste zitting bij de Hoge Raad worden voldaan. Eiser betaalde het griffierecht echter pas na deze termijn, waardoor hij in beginsel niet-ontvankelijk zou zijn in zijn cassatieberoep op grond van art. 409a lid 2 Rv.

De advocaat van eiser voerde aan dat een nota van het Landelijk Dienstencentrum van de Rechtspraak een uiterste betaaldatum vermeldde die later lag dan de wettelijke termijn, waardoor verwarring ontstond en het vertrouwen werd gewekt dat betaling tot die latere datum mogelijk was zonder sanctie. Op grond hiervan werd een beroep gedaan op de hardheidsclausule van art. 127a lid 3 Rv.

De Hoge Raad vergelijkt de situatie met een eerdere zaak (HR 4 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU3348) waarin ook sprake was van misleidende informatie van de gerechtelijke administratie. Gelet op de omstandigheden acht de Hoge Raad toepassing van de sanctie van niet-ontvankelijkheid onbillijk van overwegende aard en verklaart het cassatieberoep ontvankelijk.

De zaak wordt verwezen naar de rol van 2 september 2016 voor verdere behandeling, waarbij een conclusie op verstek zal worden genomen. Hiermee wordt de procedure voortgezet ondanks de te late betaling van het griffierecht.

Uitkomst: Het cassatieberoep is ontvankelijk verklaard ondanks te late betaling van het griffierecht vanwege toepassing van de hardheidsclausule.

Uitspraak

8 juli 2016
Eerste Kamer
16/00350
LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest in het incident
in de zaak van:
[eiser],
wonende te Leidschendam, gemeente Leidschendam-Voorburg,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. J. van Weerden,
t e g e n
COÖPERATIEVE RABOBANK REGIO DEN HAAG U.A.,
gevestigd te Den Haag,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Rabobank.

1.Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het arrest in de zaak 200.149.004/01 van het gerechtshof Den Haag van
29 september 2015.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[eiser] heeft een akte “uitlating ex artikel 409a lid 2 Rv” genomen.
De conclusie in het incident van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt ertoe dat de Hoge Raad toepassing zal geven aan de hardheidsclausule en een roldatum zal bepalen voor voortprocederen (conclusie op verstek).

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

3.1
Bij dagvaarding van 29 december 2015 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De zaak is op 5 februari 2016 voor de eerste maal ter terechtzitting van de Hoge Raad uitgeroepen. Ingevolge art. 3 lid 3 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken diende [eiser] ervoor zorg te dragen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken daarna, derhalve op 4 maart 2016, zou zijn bijgeschreven op de rekening van de Hoge Raad dan wel ter griffie van de Hoge Raad zou zijn gestort. [eiser] heeft het griffierecht eerst op 11 maart 2016 voldaan.
Dat brengt, in beginsel, mee dat hij op grond van het bepaalde in art. 409a lid 2 Rv niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in zijn beroep.
3.2
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de advocaat van [eiser] bij akte “Uitlating ex artikel 409a lid 2 Rv” van 25 maart 2016 zich uitgelaten over de te late betaling van het griffierecht en het daaraan te verbinden rechtsgevolg. Hij heeft aangevoerd dat de hem op 23 februari 2016 toegezonden nota van het Landelijk Dienstencentrum van de Rechtspraak (LDCR) vermeldt dat het griffierecht “uiterlijk op 21-03-2016” diende te zijn betaald, en dat door die nota het vertrouwen is gewekt dat de sanctie van niet-ontvankelijkverklaring achterwege zou blijven bij betaling voor 21 maart 2016. In zijn akte van 25 maart 2016 heeft de advocaat een beroep gedaan op de hardheidsclausule als bedoeld in art. 127a lid 3 Rv.
3.3
Het gaat hier om een geval vergelijkbaar met dat van HR 4 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU3348, NJ 2012/170 (verwarringwekkende informatie van de zijde van de gerechtelijke administratie). Op de gronden, vermeld in rov. 3.4, tweede en derde alinea, van die beschikking moet ook thans worden geoordeeld dat toepassing van de sanctie van niet-ontvankelijkheid een onbillijkheid van overwegende aard oplevert. Dat brengt mee dat [eiser] ontvankelijk is in zijn beroep.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwijst de zaak naar de rol van 2 september 2016 voor conclusie op verstek.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
8 juli 2016.