Uitspraak
1..Geding in cassatie
2..Beoordeling van het middel
3..Beslissing
5 april 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor voorbereidingshandelingen gericht op het opzettelijk verstrekken en vervoeren van 400 gram cocaïne. Het hof baseerde zijn oordeel op het maken van een telefonische afspraak en het voorhanden hebben van de drugs.
De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, met als argumenten opgenomen in de schriftuur van zijn raadsman. De Advocaat-Generaal adviseerde het beroep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
Het arrest van de Hoge Raad bevestigt daarmee het oordeel van het hof en benadrukt het belang van art. 81 RO Pro in cassatieprocedures. De uitspraak onderstreept dat voorbereidingshandelingen, zoals het maken van afspraken en het bezit van drugs, voldoende kunnen zijn voor een veroordeling voor het voorbereiden van het opzettelijk verstrekken van verdovende middelen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het Gerechtshof Amsterdam wordt bekrachtigd.