Belanghebbende heeft gedurende 2003-2005 zeventien aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van spaarlampen met Vietnam als niet-preferentiële oorsprong. De douane voerde onderzoeken uit op basis van een vermoeden van ontwijking van antidumpingrechten voor spaarlampen met oorsprong China, maar vond geen aanwijzingen dat de goederen daadwerkelijk uit China kwamen.
Later stelde OLAF vast dat de spaarlampen wel degelijk uit China afkomstig waren, ondanks de vermelding Vietnam. De Minister vernietigde aanvankelijk uitnodigingen tot betaling wegens schending van het recht op verdediging, maar gaf later nieuwe uitnodigingen uit waarbij belanghebbende gelegenheid kreeg te reageren. Belanghebbende vroeg om inzage in fyco-formulieren, maar kreeg deze pas na beroep op de WOB.
Het Hof oordeelde dat de Minister de formulieren niet beschikte bij het uitreiken van de uitnodigingen en dat er geen vergissing was in de zin van artikel 220, lid 2, letter b, CDW. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst dat het onderzoek bij invoer en het ontbreken van aanwijzingen geen vertrouwen schept dat navordering is uitgesloten. Ook een mogelijke schending van het recht op verdediging leidt niet zonder meer tot vernietiging van de uitnodigingen, omdat het besluitvormingsproces niet anders zou zijn verlopen.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de uitspraak van het Hof.