ECLI:NL:HR:2016:1961

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 augustus 2016
Publicatiedatum
16 augustus 2016
Zaaknummer
15/00927
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep poging tot doodslag ex-vriendin

De verdachte werd in hoger beroep door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor poging tot doodslag op zijn ex-vriendin, waarbij hij haar meermalen met een revolver tegen het hoofd sloeg. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad, vertegenwoordigd door zijn advocaat.

De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en concludeerde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het beroep of omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden.

Op basis van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 12 augustus 2016.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard, waardoor de veroordeling voor poging tot doodslag in stand blijft.

Uitspraak

12 augustus 2016
Strafkamer
nr. S 15/00927
CB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 18 februari 2015, nummer 21/006950-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.J. Ausma, advocaat te Utrecht, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 augustus 2016.