In deze civiele procedure stond centraal welke partij gerechtigd was tot de vordering van facturen voor accountantswerkzaamheden. De zaak werd behandeld door rechtbank Roermond en het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, waarvan het arrest aan het Hoge Raad-arrest was gehecht.
De Hoge Raad ontving het cassatieberoep van eiseres en het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van verweerders. Beide partijen concludeerden tot verwerping van elkaars beroep. De Advocaat-Generaal adviseerde eveneens tot verwerping van het principaal cassatieberoep.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden, mede omdat deze niet leidden tot rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het voorwaardelijk incidentele beroep werd daardoor niet behandeld.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep af, bevestigde het arrest van het hof en veroordeelde eiseres tot betaling van de proceskosten in cassatie. Het arrest werd op 5 februari 2016 gewezen en in het openbaar uitgesproken.