Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het derde en het vierde middel
3.Slotsom
4.Beslissing
30 augustus 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen in een woning en versnijdingsmiddelen in een schuur. De bewezenverklaring omvatte onder meer de aanwezigheid van heroïne, cocaïne, methadon en versnijdingsmiddelen zoals boorzuur en fenacetine.
De bewijsmiddelen bestonden uit diverse proces-verbalen van aanhouding en bevindingen, waaronder een gedetailleerde inventarisatie van de aangetroffen middelen en voorwerpen in verschillende ruimtes van de woning en de schuur. Verdachte had toegang tot de woning en schuur en verklaarde op de dag van aanhouding thuis te zijn geweest, maar ontkende kennis van de middelen in bepaalde ruimtes.
Het hof oordeelde dat verdachte als hoofdbewoner beschikkingsmacht had over de woning en schuur en wetenschap had van de aanwezige middelen, mede gelet op haar eerdere veroordeling. De Hoge Raad stelt echter dat de bewezenverklaring dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk de middelen aanwezig had, niet zonder meer uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
Daarom oordeelt de Hoge Raad dat het arrest niet voldoet aan de eis der wet en met redenen omkleed is. Het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.