Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Slotsom
4.Beslissing
6 september 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag over bedrieglijke bankbreuk door het onttrekken van goederen aan de boedel van een failliete B.V. De verdediging stelde dat veel goederen geleased waren of eigendom van een derde, waardoor ze niet tot de boedel behoorden.
Het hof liet de juistheid van deze stellingen in het midden maar oordeelde dat de goederen vanwege leaseovereenkomsten toch onder het bereik en beheer van de curator vielen. De Hoge Raad herhaalt de relevante jurisprudentie dat goederen die aan derden toebehoren niet tot de boedel kunnen worden gerekend.
De Hoge Raad stelt vast dat het oordeel van het hof over het bereik en beheer van de curator niet begrijpelijk is omdat het hof geen nadere motivering gaf en de stellingen van de verdediging niet voldoende onderzocht zijn. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.
De beslissing betreft uitsluitend het onderdeel van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging. De rest van het beroep wordt verworpen. Het arrest is gewezen door drie raadsheren onder voorzitterschap van de vice-president van de Hoge Raad.
Uitkomst: Arrest vernietigd voor het onderdeel bedrieglijke bankbreuk en strafoplegging; zaak terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.