ECLI:NL:HR:2016:2029

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 september 2016
Publicatiedatum
8 september 2016
Zaaknummer
15/02022
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroepen in cassatie ongegrond in geschil over uitnodigingen tot betaling

De zaak betreft een cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, die op zijn beurt ging over een hoger beroep in een belastinggeschil met belanghebbende, een besloten vennootschap. Het geschil betrof aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling.

De Staatssecretaris stelde een middel in cassatie voor, terwijl belanghebbende een verweerschrift indiende en tevens incidenteel beroep in cassatie instelde met drie middelen. De Hoge Raad oordeelde dat het principale middel en het middel III van het incidentele beroep niet tot cassatie konden leiden, omdat zij geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Middelen I en II van het incidentele beroep behoefden geen behandeling omdat het principale beroep niet slaagde.

De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris tot betaling van de proceskosten van het cassatiegeding ten gunste van belanghebbende, vastgesteld op € 1984 voor beroepsmatige rechtsbijstand. Het incidentele beroep werd niet tot kostenveroordeling geleid. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president Overgaauw en raadsheren van Vliet en Punt op 9 september 2016.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de beroepen in cassatie ongegrond en veroordeelt de Staatssecretaris in de proceskosten.

Uitspraak

9 september 2016
Nr. 15/02022
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de
Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 26 maart 2015, nr. 12/01146, op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 12/377) betreffende aan belanghebbende uitgereikte uitnodigingen tot betaling.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld en daarbij drie middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.
De Staatssecretaris heeft in het principale beroep een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft in het principale beroep een conclusie van dupliek ingediend.
Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van het in het principale beroep voorgestelde middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van de in het incidentele beroep voorgestelde middelen

3.1.
Aangezien de middelen I en II kennelijk alleen zijn voorgesteld voor het geval het principale beroep zou slagen, maar dit geval zich niet voordoet, behoeven deze middelen geen behandeling.
3.2.
Middel III kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Proceskosten

Wat betreft het principale cassatieberoep zal de Staatssecretaris worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
Wat betreft het incidentele cassatieberoep acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart beide beroepen in cassatie ongegrond,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1984 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2016.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 497.