Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Rotterdam,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
9 september 2016.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot cassatie door de moeder tegen een beschikking van het gerechtshof Den Haag, waarin het hof het besluit tot ontneming van het ouderlijk gezag bevestigde. Deze ontneming volgde op een periode waarin het kind onder toezicht werd gesteld en werd geplaatst in een pleeggezin. De moeder betwistte deze beslissing en stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad verwijst naar de eerdere uitspraken van de rechtbank Rotterdam en het gerechtshof Den Haag voor het geding in feitelijke instanties. In cassatie beoordeelt de Hoge Raad de aangevoerde klachten, maar oordeelt dat deze niet leiden tot cassatie. Gezien artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is geen nadere motivering vereist omdat de klachten geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.
De Hoge Raad besluit het cassatieberoep te verwerpen, waarmee de beschikking van het gerechtshof in stand blijft. De beschikking is gegeven door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Streefkerk en Polak en in het openbaar uitgesproken door raadsheer De Groot.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de moeder wordt verworpen en de ontzegging van het ouderlijk gezag blijft in stand.