Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
13 september 2016.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 8 januari 2015, waarbij een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is behandeld. De betrokkene, geboren in 1960, heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het hof, waarbij hij was vrijgesproken van bepaalde feiten. De klacht die in cassatie is ingediend, betreft de motivering van de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel (w.v.v.). De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 13 september 2016 geoordeeld dat het middel niet kan leiden tot cassatie. Dit oordeel is gebaseerd op artikel 81, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO), waarin wordt gesteld dat geen nadere motivering vereist is wanneer het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen die van belang zijn voor de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. De Advocaat-Generaal, F.W. Bleichrodt, had geconcludeerd tot verwerping van het beroep, en de Hoge Raad heeft dit advies gevolgd. Het arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst, samen met de raadsheren E.F. Faase en M.J. Borgers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting.