Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 1 maart 2016, nr. BK‑15/00225, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van het Hof van 8 mei 2015.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie beoordeeld dat was ingesteld tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag in een bestuursrechtelijke belastingzaak. De belanghebbende had verzet aangetekend tegen een eerdere uitspraak, waarna het hof op 1 maart 2016 uitspraak deed. De Hoge Raad heeft onderzocht of het cassatieberoep ontvankelijk was.
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit was omdat de partij die het beroep had ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het cassatieberoep, dan wel omdat de klachten evident niet tot cassatie konden leiden. Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
De uitspraak werd gedaan door de raadsheren C. Schaap (voorzitter), Th. Groeneveld en J. Wortel, in aanwezigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2016.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.