Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
20 september 2016.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarin de aanvrager was veroordeeld tot een gevangenisstraf van één jaar wegens diefstal. De aanvraag tot herziening werd ingediend door een advocaat namens de aanvrager en bevatte nieuwe gegevens die bij het oorspronkelijke onderzoek niet bekend waren.
De Hoge Raad benadrukte dat een aanvraag tot herziening alleen in behandeling kan worden genomen indien deze voldoet aan strikte motiveringseisen zoals neergelegd in artikel 457 en Pro 460 van het Wetboek van Strafvordering. De aanvraag moet een nauwkeurige omschrijving bevatten van het nieuwe gegeven (novum), de redenen waarom dit novum tot een andere beslissing zou kunnen leiden, en bij aantasting van de bewijsvoering moet worden uitgelegd waarom dit leidt tot ernstige twijfel aan de juistheid van de bewijsvoering.
De Hoge Raad oordeelde dat de aanvraag niet aan deze eisen voldeed, omdat zij niet voldoende gemotiveerd was en niet duidelijk maakte waarom het novum tot een vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkheid of toepassing van een minder zware straf zou leiden. Daarom werd de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president van de Hoge Raad en twee raadsheren, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 20 september 2016.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening niet-ontvankelijk wegens onvoldoende motivering.