Belanghebbende past confectieschoenen aan op medisch voorschrift door binnenzool en buitenzool te verwijderen en orthopedisch materiaal aan te brengen, waardoor nieuwe orthopedische schoenen ontstaan die niet meer geschikt zijn voor gezonde voeten.
De Inspecteur stelde dat het verlaagde tarief van 6% niet van toepassing was en legde een naheffingsaanslag op tegen het hoge tarief van 19%. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch oordeelde dat de aangepaste schoenen nieuwe roerende zaken zijn en bevestigde het verlaagde tarief.
In cassatie betoogde de Staatssecretaris dat het hof ten onrechte oordeelde dat geen functiewijziging vereist is voor vervaardiging. De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting hanteerde en dat het oordeel over het vervaardigen van nieuwe schoenen niet onbegrijpelijk was.
Het voorwaardelijke incidentele beroep verviel omdat het principale beroep ongegrond werd verklaard. De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten en bevestigde het arrest van het hof.