Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Slotsom
4.Beslissing
27 september 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof beperkte de vordering tot € 3.100,-, gebaseerd op de verkoop van LSD-trips aan een derde partij. Hoewel het hof constateerde dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in hoger beroep met ruim vijf jaar was overschreden, zag het onvoldoende grond voor verdere matiging van het bedrag.
De raadsman van betrokkene stelde dat de overschrijding van de redelijke termijn tot matiging van de betalingsverplichting moest leiden. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn standpunt onvoldoende had gemotiveerd en dat de overschrijding van de redelijke termijn wel degelijk gevolgen moet hebben. Omwille van doelmatigheid besloot de Hoge Raad de zaak zelf af te doen en de betalingsverplichting te verminderen met 10%, van € 3.100,- naar € 2.790,-.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting en verwierp het beroep voor het overige. Hiermee werd een belangrijke uitspraak gedaan over de gevolgen van overschrijding van de redelijke termijn in strafrechtelijke ontnemingszaken.
Uitkomst: Betalingsverplichting ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel verminderd van € 3.100,- naar € 2.790,- wegens overschrijding redelijke termijn.