Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
27 september 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Overijssel die het klaagschrift van klager ongegrond verklaarde. Klager bood een bedrag van € 27.080,34 contant aan de politie aan ter betaling van een openstaande schadevergoedingsmaatregel opgelegd wegens eerdere veroordelingen. Dit geldbedrag werd vervolgens in beslag genomen op grond van verdenking van witwassen.
De rechtbank oordeelde dat het beslag rechtmatig was omdat er geen kwitantie was voor de betaling en de verklaringen over de herkomst van het geld tegenstrijdig waren. De rechtbank achtte het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later verbeurdverklaring van het geld zou bevelen, mede gelet op het redelijk vermoeden van schuld aan witwassen.
In cassatie stelde klager dat het geld niet vatbaar was voor beslag omdat het bedoeld was voor betaling van de schadevergoedingsmaatregel. De Hoge Raad verwierp dit verweer en bevestigde dat het niet aan de beklagrechter is om te beoordelen of beslaggenomen voorwerpen moeten worden aangewend voor betaling van schadevergoedingsmaatregelen.
De Hoge Raad concludeerde dat het belang van de strafvordering zich tegen teruggave van het geld verzet en dat het beslag niet disproportioneel is. Het beroep werd verworpen, waarmee het beslag en de afwijzing van het klaagschrift in stand bleven.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de rechtmatigheid van het beslag op het geldbedrag en wijst het klaagschrift af.