Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
27 september 2016.
Hoge Raad
In deze zaak stond een verdachte terecht voor poging tot doodslag nadat hij op korte afstand in de heup van het slachtoffer had geschoten. Het Gerechtshof Amsterdam had op 12 juni 2015 een arrest gewezen in deze strafzaak. De verdachte stelde beroep in cassatie in bij de Hoge Raad, vertegenwoordigd door zijn advocaat.
De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie beoordeeld op ontvankelijkheid. Uit de beoordeling bleek dat de klachten die de verdachte aanvoerde geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit was omdat de verdachte onvoldoende belang had bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie konden leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na het horen van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest werd uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 27 september 2016 door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard.