Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
9 februari 2016.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk werd verklaard in de vervolging van verdachte wegens toepassing van het ne bis in idem-beginsel. Verdachte werd primair ten laste gelegd dat hij illegale vreemdelingen behulpzaam was bij verblijf en arbeid in Nederland, strafbaar gesteld in de artikelen 197a en 197b van het Wetboek van Strafrecht. Tegelijkertijd had verdachte bestuurlijke boetes opgelegd gekregen wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).
Het hof oordeelde dat het strafrechtelijke feit en de bestuurlijke boetes hetzelfde feit betroffen, waardoor vervolging niet mogelijk was. De Hoge Raad herhaalt de maatstaf uit eerdere jurisprudentie en benadrukt dat bij de toetsing naar hetzelfde feit gekeken moet worden naar de juridische aard van de feiten, de beschermde rechtsgoederen en de aard en omvang van de gedragingen.
De Hoge Raad stelt dat de strafrechtelijke bepalingen gericht zijn op het tegengaan van illegaal verblijf en de daarmee samenhangende acute gevaarzetting voor de publieke kas, terwijl de Wav zich richt op het voorkomen van verdringing van legaal arbeidsaanbod en concurrentievervalsing. Gezien het verschil in rechtsgoederen en de maximale sancties is er geen sprake van hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr Pro. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting door het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor hernieuwde berechting omdat geen sprake is van hetzelfde feit in de zin van het ne bis in idem-beginsel.