ECLI:NL:HR:2016:2277

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 oktober 2016
Publicatiedatum
6 oktober 2016
Zaaknummer
16/01750
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieAlgemene wet bestuursrecht Art. 8:73
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 17 februari 2016, waarin het hoger beroep van belanghebbende werd behandeld over navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 1995 tot en met 2005, navorderingsaanslagen vermogensbelasting over 1996 tot en met 2000, een aanslag IB/PVV over 2007, en daarbij behorende boetebeschikkingen en heffingsrentebeschikkingen.

De Hoge Raad heeft het middel van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat het middel niet tot cassatie kan leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, was geen nadere motivering vereist omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om proceskosten aan belanghebbende toe te kennen en heeft het beroep in cassatie ongegrond verklaard. Het arrest is uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 7 oktober 2016.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Gerechtshof Den Haag bevestigd.

Uitspraak

7 oktober 2016
Nr. 16/01750
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 17 februari 2016, nrs. BK-13/00086 tot en met BK-13/00102, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te ’s-Gravenhage (nrs. AWB 11/9706 tot en met 11/9713, AWB 11/9715, AWB 11/9717, AWB 11/9719 tot en met 11/9723, AWB 11/9726 en AWB 12/2273) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1995 tot en met 2005 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), over de jaren 1996 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting, een voor het jaar 2007 opgelegde aanslag IB/PVV, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2016.